Het stadiondossier van Club Brugge is samen met de sloopaanvraag voor Antwerpen het langstlopende ruimtelijk ordeningsdossier in de geschiedenis van de stad Brugge. Al meer dan zeven eeuwen probeert blauw-zwart een nieuw stadion neer te zetten, en al meer dan zeven eeuwen staat er altijd wel iets of iemand in de weg: een hertog, een keizer, een Spanjaard, een buurtbewoner met een advocaat, of de Raad van State. Dit is het volledige, ongecensureerde verhaal.

De Brugse Metten en de geboorte van Club Brugge (1302)

Het is een wijdverspreid misverstand dat de Brugse Metten van 1302 een opstand waren tegen de Franse bezetter. De werkelijke toedracht is veel banaler.

In het voorjaar van dat jaar had het Brugse schepencollege, in een poging om de stad op de kaart te zetten als sportbestemming, een vriendschappelijke voetbalwedstrijd georganiseerd tegen Olympique de Masselha, een rondreizend Frans gezelschap dat op doortocht was naar een toernooi in Gent. Het probleem was dat Brugge geen eigen voetbalploeg had. "Wij hebben den Fransen al drie vaten wijn beloofd en enen warmen maaltijd," schreef schepen Pieter de Coninck in paniek aan het ambachtscollege, "maer wy hebben nog gheen ploeg. Zoekt in Godsnaam elf mannen die recht kunnen staen."

In allerijl werden elf wevers, een doelman die eigenlijk slager was, en de achterlijke neef van De Coninck, Jan Breydel, bij elkaar geraapt op de Markt. Zij vormden de eerste selectie van wat men ter plekke doopte tot Club Brugge Conincklycke Vereniging. Het predikaat 'conincklycke' verwees niet naar enig koningshuis, maar naar eerste voorzitter Pieter de Coninck zelf, die vond dat zijn naam "toch ergens in den titel moest staen."

De wedstrijd, gespeeld op een modderig veld nabij de Kruispoort op 18 mei 1302, eindigde op 2-0 voor de thuisploeg. De sfeer sloeg echter om toen de Marseillaanse delegatie weigerde een rondje te betalen in café Santa Cruz. Wat volgde is bekend: een massale vechtpartij die uitmondde in de volledige verdrijving van de Fransen uit de stad. Historici hebben dit later opgepoetst tot een heroïsche volksopstand.

De overwinning in de Guldensporenslag enkele maanden later was overigens ook niet meer dan een uitwedstrijd die uit de hand liep. De Brugse selectie was uitgenodigd voor een return in Kortrijk. "We hadden eigenlijk gewoon willen voetballen," verklaarde aanvoerder Jan Breydel achteraf, "maer die Fransen begonnen weder te zeiken over de buitenspelregel."

Het eerste stadion (1345–1346)

Na decennia van groei (Club Brugge was intussen al kampioen van Het Brugse Vrije in 1308, 1314 en 1321, na overwinningen tegen Daring Brugge en Dosko van buiten de poorten) werd hun geïmproviseerde speelveld op Sint-Andries te klein bevonden. De tribunes boden nauwelijks plaats aan drieduizend toeschouwers, terwijl er bij topwedstrijden soms het dubbele opdaagde.

In 1345 nam graaf Lodewijk van Nevers het woord in de Raad van Vlaanderen. De graaf was al jaren de trouwste supporter van Club Brugge en miste zelden een thuiswedstrijd, al was hij niet bijster populair bij de bezoekende ploegen: hij had de gewoonte om vanuit zijn loge lege bierbekers naar de bank van de tegenstander te gooien, en bij verlies ook volle. "Ick verdraeg het niet langer," verklaarde hij. "Wy spelen op enen velde dat by regen verandert in enen modderpoel ende by droogte in eene stofwolke. De Ieperlingen lachen ons vierkant uyt, ende dat zyn boeren die niet eens tot tien kunnen tellen."

Het plan sleepte echter aan. Brugse architecten ruzieden maandenlang over de oriëntatie van het veld (oost-west of noord-zuid), de kleur van de banken (blauw-zwart of zwart-blauw), en of er al dan niet een afzonderlijke ingang moest komen voor supporters uit Sint-Jozef, "uiteraard omwille van de hygiëne."

De oplossing kwam uit onverwachte hoek. In 1346 lag er een groep Baltische kooplieden al wekenlang werkloos in de Brugse haven te wachten op gunstige wind voor de overtocht naar Danzig. Na drie weken kaarten en drinken in het kasteeltje van het Minnewater begonnen ze zich zodanig te vervelen dat ze aanboden om dan maar een stadion te bouwen.

Het resultaat was het Jan Breydelstadion: een betonnen constructie met een capaciteit van 29.654 plaatsen, gebouwd in slechts zes weken. De Baltische bouwers verzekerden het stadsbestuur dat de materialen "een levensduur hadden van zéker tien jaar", maar dat ze erna toch moesten kijken naar een permanente oplossing.

"Meer dan genoeg," antwoordde schepen Nicholas Den Blontrocke, "tegen dan staet hier al lang ons nieuw stadion.

Het eerste bouwontwerp (1457–1459)

Na meer dan een eeuw wachten, waarin het Jan Breydelstadion drie keer was ingestort, twee keer herbouwd door dezelfde materialen te hergebruiken, werd in 1457 eindelijk het eerste officiële bouwontwerp voorgesteld voor een nieuw stadion.

Het plan voorzag een indrukwekkend stenen stadion met 15.000 zitplaatsen, een overdekte eretribune, en een gracht rondom "om supporters van bezoekende ploegen af te schrikken." De beoogde locatie: een groot braakliggend terrein aan de toen vrij rustige, landelijke Ezelstraat.

Het ontwerp werd op 3 maart 1457 voorgesteld aan het schepencollege en ontving unaniem lof. Hertog Filips de Goede, die zelf het initiatief steunde op voorwaarde dat er een koninklijke loge kwam met "eenen aparten tap Maes bier", schreef een aanbevelingsbrief.

"Ick steun dit project van ganser herte. Een nieuw stadion zal de glorie van Vlaenderen ende van Club Brugge eeren, ende tevens de vastgoedpryzen in de Ezelstraete doen stygen, alwaer ick toevallig dry pandjes bezit. In Godsnaam, begint er aen."
Foto: Hertog Filips de Goede was een fervent supporter van Club

Het duurde twee jaar voor het dossier door alle administratieve molens was. Op 12 februari 1459 viel het verdict: het ontwerp werd afgekeurd door de Raad van het Brugse Vrije. De redenen waren tweevoudig. Ten eerste lag het terrein in "beschermd agrarisch landschap", er graasden namelijk drie geiten van een lokale begijn. Ten tweede maakte de Raad zich zorgen over de nabijheid van de stadionlocatie tot de talrijke bordelen in de Ezelstraat.

Filips de Goede reageerde woedend:

"Godverdomme toch. Dry geiten ende een paar hoeren, daer gaet het om? Ick heb voor minder steden platgebrand. Maer soit, ick ben het beu. Lost het self maer op. Kunt gy my trouwens twintigh gouden dukaten lenen? Ick moet nog achter saffen."

De Hertog van Alva (1585)

De 16de eeuw was een rampzalige periode voor Club Brugge. De club speelde nog altijd in het Jan Breydelstadion, inmiddels 239 jaar oud en door bouwkundigen omschreven als "een mirakel van structureel falen", maar er waren grotere zorgen.

Na de Val van Antwerpen in 1585 trokken de Spanjaarden onder Alexander Farnese ook door Vlaanderen. Het Spaanse bewind had geen enkele interesse in voetbal, en al helemaal niet in de Brugse variant, enkel het Manillen telde. Erger nog: de Hertog van Alva had enkele decennia eerder bij een doortocht door de stad het oude bouwdossier voor het nieuwe stadion gevonden in het stadsarchief. Hij las het door, begreep er niets van, en nam het mee naar Brussel als kladpapier voor zijn correspondentie met Madrid. Het volledige dossier, 130 jaar aan plannen, ontwerpen, adviezen en bezwaarschriften, was weg.

De Oostenrijkers en het verbod op voetbalvreugde (1744)

Onder het Oostenrijks bewind van keizerin Maria Theresia werd voetbal in Vlaanderen tijdelijk geclassificeerd als "verdacht volksamusement, leidend tot opruiing en overmatig drankgebruik." De keizerin, die naar verluidt één keer een verslag van een Brugse match had gelezen en er niets van begreep, vaardigde in 1744 een edict uit dat alle "onnodige sportieve samenkomsten van meer dan 50 personen" verbood.

Het stadiondossier, dat inmiddels weer voorzichtig was opgestart (er lag een ontwerp klaar voor een nieuw stadion aan de Langerei), werd stilgelegd.

Club Brugge speelde clandestien verder op wisselende locaties, meestal weilanden op Sint-Pieters waar de Oostenrijkse gendarmerie niet kwam omdat het er te marginaal was. Het Jan Breydelstadion, inmiddels bijna 400 jaar oud, deed dienst als opslagplaats voor graan.

Napoleon (1811)

Toen keizer Napoleon Bonaparte in 1811 aankondigde dat hij op zijn Europese tournee ook Brugge zou aandoen, zag het stadsbestuur zijn kans schoon. Men zou een wedstrijd organiseren: Club Brugge tegen een selectie van de Grande Armée. Napoleon, zo was bekend, hield van grootse spektakels. Het moest kolossaal zijn.

In drie maanden tijd werd op de velden van Sint-Andries een tijdelijk stadion uit de grond gestampt: 45.000 plaatsen, houten tribunes met vergulde leuningen, een keizerlijke loge bekleed met fluweel, en een apart vak voor de Brugse gemeenteraadsleden "die toch altijd overal gratis binnen moeten." De kosten werden gedragen door het stadsbestuur.

De keizer arriveerde op 11 november 1811 in Sint-Andries, waar hij met groot vertoon werd ontvangen door de lokale burgemeester, een zekere Antoine De fauw, een verre voorouder van de huidige burgervader en naar verluidt even dorstlustig. Het gezelschap begaf zich richting het stadion, maar maakte eerst een tussenstop bij café De Chalet op de platse van Sint-Andries, "voor enen kleinen apéritief."

Napoleon is er nooit meer vertrokken.

Foto: Napoleon aan café De Chalet voor de match

Wat als een snelle BVO (bier-voor-onderweg) begon, ontaardde in een epische kaartenavond. De keizer, die naar verluidt een verschrikkelijke verliezer was bij manillen, weigerde het café te verlaten tot hij gewonnen had. "Encore une partie," eiste hij rond middernacht, terwijl zijn generaals vergeefs wezen op de 45.000 lege stoelen verderop.

Om drie uur 's nachts viel Napoleon in slaap al staande aan de bar. Om zes uur vertrok zijn konvooi richting Brussel zonder dat hij het stadion ooit had gezien. De wedstrijd werd afgelast. Het tijdelijke stadion werd een week later afgebroken. De factuur, omgerekend bijna 2 miljoen euro, bleef onbetaald.

Club Brugge speelde de week nadien gewoon weer in het Jan Breydelstadion, dat na een korte inspectie "nog net overeind" werd verklaard.

De oprichting van Cercle Brugge (1899)

Op 1 april 1899 publiceerde het Brugsch Handelsblad een barslecht artikel (daar zijn ze goed in) over de oprichting van een tweede voetbalploeg in Brugge: Cercle Brugge. Het was bedoeld als aprilgrap, een absurd idee, "alsof ikzelf plots twee vrienden zou hebben" schreef de hoofdredacteur.

Het artikel beschreef hoe een groep "gegoede burgers die te lui waren om zelf te voetballen maar te gierig om seizoenskaarten voor Club te kopen" besloten had om hun eigen club op te richten. Tot ieders verbazing namen enkele Bruggelingen het artikel serieus en richtten zij effectief een vereniging op.

Cercle kreeg toestemming om het Jan Breydelstadion te delen met Club Brugge, wat door toenmalig Club-voorzitter Polydoor Nansen werd omschreven als "een tijdelijke regeling van maximum vijf jaar.

Foto: de eerste match van Cercle in Jan Breydel was geen onverdeeld succes

De oprichting van Cercle had ook gevolgen voor het stadiondossier: elke nieuwe poging om een stadion te bouwen werd voortaan gecompliceerd door de vraag wat er dan met Cercle moest gebeuren. Een vraag die, zo zou blijken, tot op de dag van vandaag niemand echt wil beantwoorden.

De moderne kruisweg (2007–2026)

In 2007 beloofde Club-voorzitter Michel D'Hooghe een stadion in Loppem "tegen 2010." Het kwam er niet. Wat volgde was een twintigjarige processie langs de Chartreusesite, de Blankenbergse Steenweg en de Olympiasite: elke locatie werd bejubeld, bestreden door buurtbewoners, afgeschoten door de Raad van State, en vervangen door de volgende. Cercle Brugge werd erbij gesleurd en haakte af. Ghelamco tekende bezwaar aan. Groen vzw tekende bezwaar aan. De drie begijnengeiten uit 1459 waren dood, maar hun geest leefde voort in elk openbaar onderzoek. In 2021 knoopte Vlaams minister Zuhal Demir alles weer aan elkaar en kende de omgevingsvergunning toe.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigde die in 2023. Club herwerkte de plannen en kreeg in juni 2024 opnieuw een vergunning. Tegenstanders trokken opnieuw naar de rechter. Op 23 februari 2026 kondigde de Raad voor Vergunningsbetwistingen aan het dossier op 2 april af te handelen. Het is nu 9 april 2026. Het dossier is dus afgehandeld, of ook weer niet, want als er iets is dat deze kroniek ons leert, is het dat "afhandelen" in Brugge een relatief begrip is.